09
Acer ignarus ex libidus

de onbevredigde esdoorn

Laat in de zomer van 2018 krijgen we een rondleiding door de heemtuin van het Amstelpark met ecologisch beheerder Luis Nobre Canha. In het Amstelpark ligt sinds 1972 een heemtuin waar verschillende typen landschappen van Nederland worden gesimuleerd. Verschillende landschappen verenigen zich en vormen samen een habitat voor een stukje stadsecologie. Na bijna 50 jaar is de heemtuin een symbiose geworden van ecologisch beheerder Luis die fungeert als dirigent van een symfonie van de lokale ecologie en de samenklonterende landschapstypen, die nauwelijks meer te onderscheiden zijn.

Luis vertelt ons dat, als de condities het toelaten, een landschap altijd een bos wil worden. Luis weet veel over de verschillende soorten bomen in de heemtuin. Wandelend door de heemtuin, bewegen de ranke boomstammen zwierig in de lucht. De bomen staan dicht tegen elkaar en met de laatste voorjaarsstorm is een enkele boom gevallen. In een dicht stuk bos als deze bekruipt naast het gevoel van verwondering ook een lichte angst voor de krakende en piepende boomstammen. De angst voor het bos en/of houten voorwerpen heet xylofobie.

De winter ruist door de bladeren van de gewone esdoorn, een sneeuw van onrijpe propellers dwarrelt naar beneden. Door de extreme hitte en lange droogte verliezen de esdoorns prematuur hun zaden. Door de meters ophoogzand die onder het park ligt, kunnen sommige bomen slecht met hun wortels bij het grondwater komen. Luis vertelt dat sommige bomen en ook een reeks rhododendrons het niet zullen halen door de verdroging. Wat ons opvalt in het Amstelpark, dat zijn de tal van kortgehouden boompjes, dommelend in een wachtstand, hoopvol om ooit tot wasdom te kunnen komen. De stompjes zetten ons aan het denken. Is het een nieuw soort natuur die enkel ontstaat in wisselwerking met de mens?

In de heemtuin ligt een hooilandje. Een stukje Nederlands landschap dat normaliter door grazers wordt kortgehouden. Het kruidenrijk hooiland wordt nu door de heemtuin beheerders twee keer per jaar gemaaid. De grassoorten en kruiden zoals agrimonie of wilde marjolein gedijen goed onder deze condities. Het hooiland ligt omsloten door een weelderig struweel van hazelnoten, meidoorn, spaanse aak en bomen zoals eik, esdoorn, berk, es of iep. Al deze soorten verspreiden naar hartelust hun nazaat via noten, bessen, esdoorn propellers of iependubbeltjes. Echter komt hun kroost in het hooilandje nooit tot wasdom. Kleine boompjes groeien hier verscholen tussen het gras, en komen in een groeiseizoen niet verder dan kniehoogte. Wanneer we een gewone esdoorn uitgraven is deze op maaiveld verknoest en vergroeit tot een stompig geheel. 

We graven een boompje uit dat ooit als propeller uit de lucht is gevallen.  De boom, niet groter dan 25 cm moet minstens 10 jaar oud zijn. Structureel wordt deze gewone esdoorn (Acer pseuodoplatanus) klein gemaaid tot maaiveld, terwijl onder maaiveld een vertakt wortelstelsel bewijs is van de ouderdom van dit stukje natuur. ‘Hoe noemen we een dergelijk stukje hybride natuur?’, vragen we ons peinzend af. Zoekende naar nieuwe zienswijzen voor dit stompje zou de theorie achter het biofact wellicht een nieuwe oriëntatie kunnen aanbrengen in hoe we dit natuurlijk ogende element kunnen interpreteren. We benaderen de term biofact vanuit de filosofische betekenis naar Prof. Dr. Nicole Christine Karafyllis; Deze theorie legt de nadruk op levende entiteiten die in hoge mate kunstmatig kunnen zijn door de methodes waaruit ze zijn voortgekomen binnen de landbouw, tuinieren, veredeling, biotechnologie of genetische manipulatie. Biofacten, zo stelt Karafyllis, tonen karakteristieken van cultuur en techniek en weerleggen het idee dat alle levende organismen om ons heen als natuur beschouwd moeten worden. Wanneer we vanuit deze hybride term naar dit stompje kijken, hoe kunnen we de definitie van natuurlijk ogende elementen in onze leefomgeving op een andere wijze interpreteren en ontwikkelen? Zou deze zienswijze op den duur kunnen leiden tot nieuwe benaderingswijzen voor plantsoenen of zelfs het park?

Dit stukje hooiland met haar miniatuur stompjes confronteert ons met onze onbekwaamheid met betrekking tot ons vocabulaire. Het lexicon voor onze leefomgeving is zeer eenzijdig omdat de elementen om ons heen niet in staat worden gesteld om een dialoog met ons aan te gaan. We hebben het moeilijk om ons een natuur voor te stellen buiten een bepaald nut of kader. We zijn experts geworden in het analyseren van wat natuur voor ons kan doen, maar het ontbreekt aan een taal om te ontlokken wat natuur voor ons betekent als we uitgaan van een holistisch perspectief.

Als we de stompjes die zo veel voorkomen in het Amstelpark volgens mevrouw Karafyllis niet als natuur zouden moeten zien, maar als een onderdeel uit onze leefomgeving, waar we een nieuwe definitie voor zouden kunnen vinden, hebben we dan een nieuwe plantensoort ontdekt? Mogen wij onszelf als de ontdekkers beschouwen van een nieuwe plantensoort  met unieke eigenschappen, die er niet zou kunnen zijn zonder de rol van ons als mens? In dat geval noemen we deze nieuwe soort de Acer ignarus ex libidus; de onbevredigde esdoorn.

Helaas gaat dit niet op, want het ontdekken van een nieuwe soort gaat volgens de traditionele methodes van classificatie gepaard met de onoverkomelijke eis dat een nieuwe soort in staat moet zijn om nakomelingen te creëren die onafhankelijk van de moederplant kunnen overleven in het Nederlandse klimaat. Maar als je dit stompje vergelijkt met een volwassen esdoorn, dan kun je ze toch niet in hetzelfde hokje plaatsen?!

Over pak ‘m beet 50 jaar woont 75% van de wereldbevolking in de stad. Deze verandering betekent ook dat dieren, planten en insecten zich vestigen in de stad. Deze soorten gaan zich evolueren vanuit de stedelijke context. Nieuwe hybride soorten zullen ontstaan. Ons idee over natuur zal zich gaan transformeren van een omgeving die we bezoeken buiten de stad naar een vermenging van natuur mét onze leefomgeving. Een natuur die niet kan bestaan zonder de mens. Welke eigenschappen zullen dieren en planten ontwikkelen wanneer ze zich aanpassen aan het leven in een gemeenschappelijke leefomgeving met de mens? Hoe zullen wij tot een andere omgangsvorm komen met natuur, wanneer het zich volledig heeft vermengd met onze leefomgeving?

Terug naar top